Chelsea redt het voetbal
Verklaar me voor gek, maar ik heb genoten van het huzarenstukje dat Chelsea afgelopen zaterdag tijdens het treffen met Bayern München etaleerde. Je kon het spel van de kersverse Champions League-winnaar nauwelijks voetbal noemen, maar het was wel uiterst effectief. En natuurlijk speelde de factor geluk een grote rol.
Ik zal het eerlijk zeggen: ik heb soms een hekel aan schoonheid. Een schijnbeweging van Messi, een volley van Van Persie of een fijne steekpass van Xavi zijn voor de neutrale of bevooroordeelde supporter een streling voor het oog, maar voor mij af en toe een kwelling. Als iedereen iets fantastisch vind, verlang ik naar het tegenovergestelde. Ik mis af en toe die akelige rotschop, die onvervalste Schwalbe of de gebaartjes die de tegenstander een kaart moeten aansmeren. Ik weet dat het eigenlijk niet kan, maar stiekem vind ik het prachtig.
Spelers die zich op gepaste momenten van zulk gedrag bedienen, stijgen in mijn achting. Tweebenige onbesuisde tackles, ellebogen die tijdens een sprong naar de bal in een gezicht geplant worden en voor de derde keer nog even de bal goed leggen om tijd te rekken zijn acties die horen bij het voetbal. Ze komen voort uit frustratie – het zijn de soms gevreesde handelsmerken van de underdog. Alleen teams die het niet op basis van voetbalkwaliteiten kunnen winnen, bedienen zich van zulke vuile trucjes.
Er is geen bond in de wereld die het goedkeurt dat een speler geen ‘fair play’ bedrijft. Ook de FIFA en UEFA willen niet dat hun sport een kwaad daglicht komt te staan. Begrijpelijk en ook goed – zonder regels wordt het een chaos.
Toch horen genoemde acties en het spel van ploegen als Chelsea bij het voetbal. Het heeft ontegenzeggelijk charme, vind ik. Zulke acties maken dat je jezelf kunt opwinden over situaties en creëren spelers you love to hate. Niemand denkt bij de termen ‘mooi voetbal’ en ‘fair play’ aan spelers als Vinnie Jones, Henk Fräser en Rudi Völler, maar het zijn wel namen die het voetbal veel hebben gebracht – strijd en de ‘over mijn lijk’-mentaliteit. Ik houd daarvan. Voetbal is immers oorlog en voor een goede veldslag heb je moedige soldaten nodig. Zaterdag bewees Chelsea dat door zich in de loopgraven in te begeven en Bayern het goed voetballen door een serie vervelende streken onmogelijk te maken. Ik gaf ze voor de volle 100 procent gelijk.
Een Bayern-elftal met spelers als Beckenbauer, Matthaüs, Van Bommel, Rummenige, Basler, Lucio en Jancker in de basis had maling gehad aan een dergelijke strategie en zo’n vuile oorlog met gemak gewonnen, zonder mooi voetbal. Het had Chelsea ongetwijfeld bediend van intimiderende blikken en gebaren, duwtjes in de rug en harde Duitse woorden. Een koekje van eigen deeg gegeven, wetende dat het eigen publiek dit bij winst binnen no-time zou vergeven. Dit Bayern liet zich uitputten, overbluffen en slager Didier Drogba zijn vlijmscherpe mes lachend tussen de eigen ribben schuiven. Ik houd van het spotten met de wetten van ‘hoe het zou horen’. Het maakt het spel onvoorspelbaar en daardoor tegelijkertijd ook onbeschrijfelijk fraai. Zonder dergelijke schurkerij is de sport voetbal ten dode opgeschreven.
Circus GroenLinks legt achilleshiel Sap bloot
Jolande Sap versus Tofik Dibi. Zittende ‘macht’ versus ondeugende baldadigheid. Oud versus jong. Het verleden tegen de toekomst.
Vanavond debatteerden beide kandidaat GroenLinks-lijsttrekkers om de gunst van de leden in de Rode Hoed in Amsterdam. Van een debat was nauwelijks sprake. De ‘debatleider’ – in feite een zenuwachtig, hakkelend kereltje die enkel met voorzetjes strooide – legde de beide kemphanen geen strobreed in de weg en poneerde fluweelzachte stellingen. Sap verdedigde, Dibi mocht af en toe op doel schieten. Helaas voor Sap was het af en toe pijnlijk raak.
Dibi kwam goed voor de dag. Hij wist een fris verhaal te vertellen, zonder daarbij te vervallen in cliches en sprookjesverhalen – iets wat van Sap niet gezegd kon worden. De huidige lijsttrekker kon vaak niet anders dan zich beroepen op resultaten uit het verleden, zoals het onlangs gesloten Kunduz-akkoord. Hoewel lang niet iedereen binnen GroenLinks daar tevreden over is, durfde ze Dibi niet aan te vallen op zijn soms wankele uitspraken. Sterker nog, ze lachte hem toe. Zenuwachtig; soms zelfs krampachtig.
Rebel Tofik Dibi was vanaf minuut één de underdog. In een zaal vol grijze GroenLinks-leden moest hij het opnemen tegen de sceptische, gevestigde orde van de partij. Hoewel hij sterk begon, af en toe een bewust aardige of onbedoeld knullige grap maakte, was ook zijn verhaal geen ijzersterk manifest. Het miste diepgang en de overtuigingskracht die nodig is om de conservatieve GroenLinks-kiezer van Sap af te doen keren.
Toch is een stem op Sap een stem op het verleden. Een verloren stem. Sap wil GroenLinks helpen aan de macht. Ze gelooft in Griekenland en Europa, in meer belastingen… zelfs in het duurzaamheidbeleid wat het huidige kabinet voorstaat. Ze denkt dat GroenLinks een voortrekkersrol kan vervullen om partijen bij elkaar te brengen en glunderde bij de opmerking van Dibi dat er zo zachtjes aan al over ‘Minister Sap’ gesproken kan worden. Het is pijnlijk hoe zeer zij de band met de gewone mens is verloren en smacht naar het Haags pluche. Trilveen? (Dibi besprak hoe hij van de natuur kan genieten.) “Nooit van gehoord, hahaha”, aldus Sap. Tenenkrommend.
Dibi krijgt het komende weken ongelofelijk moeilijk. In de twee debatten die hij nog tegemoet gaat zal hij van goede huize moeten komen om de sceptische leden van zijn gelijk te bewijzen. Maar toegegeven, zijn verhaal deugt, ook al weet hij zijn werkelijke boodschap niet altijd op de juiste manier voor het voetlicht te brengen. Hij durft aan te vallen, hij durft heilige huisjes binnen zijn partij omver te schoppen, hij durft – als het zover mocht komen –Roemer, Rutte, Wilders en Samsom met open vizier tegemoet te treden, ook al is hij dikwijls die tactloze slungel. Jonkvrouw Sap waant zich ondertussen onaantastbaar en vertrouwt op het geweten van de partij. Mocht zij het worden dan gaat het voor GroenLinks met de koers die Sap wil varen nog behoorlijk lastig worden. Met slechts enkele zetels na 12 september is er in een nieuwe regering weinig eer te behalen.

Haarlemse Hemelvaart
HFC Haarlem. Haarlemsche Football Club Haarlem. Twee keer ‘Haarlem’ in een naam die kennelijk internationale allure moest hebben. Een voormalige voetbalclub. Ooit best groot. Broedplaats voor talent als Ruud Gullit, Stanley Menzo, John Metgod, Dries Boussatta en vele anderen. Landskampioen in 1946 en begin jaren ’80 nog Europees voetbal gehaald. Sinds 2010 failliet en verder gegaan als fusieclub Haarlem-Kennemerland in het amateurvoetbal. Een treurig resultaat van wat de laatste jaren voor menig noodlijdend club misschien realiteit wordt.
Het stadion van Haarlem staat er nog steeds en zou aan de glorie van vroeger moeten herinneren. Met een capaciteit van 3.442 zitplaatsen stelt het niet heel veel voor, maar wanneer je er aan komt rijden is het wel duidelijk dat het sportpark waarin het ligt ooit was bestemd voor betaald voetbal. De naam HFC Haarlem pronkt nog steeds bij de entree, evenals het reglement dat de KNVB indertijd had opgesteld voor de Jupiler League. Intussen kapot, dat wel.
De tribunes kleuren rood-blauw, al kun je beter zeggen roze-lichtblauw, aangezien de elementen ongestoord jaren hun werk hebben gedaan. De masten rond het stadion herinneren aan de avondwedstrijden die de laatste jaren tegen clubs als Emmen, Veendam en TOP Oss gespeeld werden. Tegenwoordig staan de lichtmasten er alleen nog als veredelde antennes voor het telefoonverkeer; de grote lampen zijn er namelijk allang af gehaald. De avondwedstrijden die er nog gespeeld worden vinden alleen nog tussen jongeren plaats, die via zelfgecreëerde ingangen in het sportpark een balletje op het veld trappen.
Haarlem leeft niet voor het voetbal. Nooit gedaan ook, in mijn beleving. In de jaren dat ik in de stad werkte en met het openbaar vervoer erdoorheen reisde, heb ik nog nooit iemand in een rood-blauw shirt gezien. Laat staan dat ik een roodblauwe tattoo heb mogen bewonderen. Ik fiets door de stad en zie Ajax-vlaggen. Buiten het stadion staat een kebabkraam, met daarnaast in een bushokje wat hangjongeren. Rond het stadion laten vrouwen van middelbare leeftijd hun hond wandelen, terwijl de speaker van de naastgelegen honkbalclub mededelingen rond een groot Hemelvaarttoernooi doet. Op het veld van de HFC is het angstaanjagend stil.
Haarlem is geen voetbalstad. Terwijl een opgeschoten jongen terugloopt naar een fiets om te zien of deze wel op slot staat, schudt zijn vriendin ‘nee’. “Kom op joh, doorlopen. Hij staat toch op slot.” Even verder eet een bejaard, maar gefortuneerd echtpaar naast hun dure Mercedes een bakje patat. Weer verderop gooit een man een blikje over een hek heen richting een bouwplaats alsof het een afvalput betreft. Haarlemmers doen hun eigen ding, dragen geen trots met zich mee. Niemand mist het voetbal.
Ik fiets nog een rondje rond het Haarlem-stadion. Op de radio hoor ik Giel Beelen, te gast in het Radio 1-programma Kunststof. Hij vertelt over zijn beginjaren als diskjockey, toen hij als puberaal schoffie nog te horen was bij de lokale radio en hij met populaire zware stem zijn idool Jeroen van Inkel probeerde na te doen. Even later wordt hem gevraagd of hij van voetbal houdt. Nee, antwoordt Beelen, “nooit gehouden ook”. Hij is niet de enige in Haarlem. Voor het voetbal hoef je hier dan ook niet meer te komen.
Burgerlijk: de hel!
Joop en Mien staan voor de etalage. Hun oog is gevallen op een fiets. Even hebben ze getwijfeld over een tandem, maar het wordt toch een degelijke Gazelle. Ze kopen allebei dezelfde. Joop een herenmodel, Mien de damesuitvoering. Tevreden fietsen ze naar huis.
Thuis drinken ze een kopje thee. Van hetzelfde servies. Allebei English Grey, met twee klontjes suiker. Joop gaat in de tuin werken. Mien kijkt nog een aflevering Lingo op de tv, terwijl ze poogt een sudoku in te vullen.
Wanneer ze gaan fietsen, gaan Joop en Mien altijd samen. Twee keer per maand, een rondje van ongeveer twintig kilometer. Kaart erbij en bij iedere afslag discussie wat de juiste route is. Het moet immers wel een goede beslissing zijn.
Van onzekerheid houden ze allebei niet. Daarvan raken ze van slag. Het enige wat ze doen dat nog een beetje spanning in hun leven oplevert is de bingo en de Staatsloterij. Altijd twee loten, al twintig jaar lang. Nooit wat gewonnen, maar dat komt vast nog wel een keer.
Joop en Mien zijn saai. Net als duizenden andere echtparen in Nederland. “Burgerlijk to the max.” Wanneer ze thuisblijven heb je er geen last van. Gelukkig niet. Maar wanneer ze twee keer per maand op pad gaan, kom je ze tegen. Fietspadterreur op Gazelles. Dezelfde fietsen. Ik walg daarvan, en hoop dat ik nooit zo word.

No Surprises
Radiohead is al een band die decennia meeloopt en elk jaar wel van zich laat horen met een beregoede alternatieve hit of een progressief album dat alleen echte kenners volledig op waarde weten te schatten. Het ingetogen, maar wonderschone No Surprises is een voorbeeld van een nummer dat wat betreft eerder genoemde categorieën tussen wal en schip valt. Het nummer is nooit zo’n grote hit geweest als Paranoid Android, Karma Police of Creep, maar kan door de eenvoud ook niet worden bestempeld als een nummer wat je meerdere keren moet luisteren om erdoor gegrepen te worden – wat niet wil zeggen dat het na meerdere luisterbeurten niet beter wordt.
Al bijna de eerste tonen grijpt No Surprises je bij de strot. Een eenvoudig riedeltje, Thom Yorke die rustig verhaalt over de zware dingen des levens, terwijl de rest van de instrumenten één voor één hun opwachting maken. Het volgende refrein is geen verrassing – wat trouwens in het geheel niet van het nummer gezegd kan worden – maar biedt de luisteraar enigszins troost. No alarms and no surprises. Het is alsof Yorke je poogt op te beuren met zijn constatering dat alles in het leven mis kan lopen en frustratie oplevert, maar dat het relativeren hiervan kan leiden tot acceptatie. In het geval van de tekst leidt dit uiteindelijk tot een gruwelijk einde, namelijk zelfmoord, maar voor mij is het juist opbeurend in de zin dat het je laat zien dat het altijd erger kan zijn. Sterker nog, wanneer je de ironie proeft, wordt het zelfs bijna grappig.
Hoewel menigeen de tekst op een verschillende manier zal interpreteren, is No Surprises voor mij een nummer dat nooit zal vervelen. Ondanks de eenvoud blijf ik zaken ontdekken in de lijnen van de verschillende instrumenten, de tekst en in de sfeer. Het is een nummer dat ik zowel draai als ik somber ben – om me op te vrolijken – als wanneer ik vrolijk ben (vanwege de zoetgevooisde compositie). Het nummer is als een bitterzoete wijn, afkomstig van de allerbeste druiven ter wereld. Voor de eerste keer vreemd, maar daarna favoriet bij bepaalde gelegenheden. En het mooiste van alles: je krijgt er nooit een kater van.
(Deze bijdrage verscheen eerder op Ondergewaardeerde Liedjes.)
De afgang compleet
Twente hult zich vandaag in rouw. Na een ontluisterende 0-1 thuisnederlaag tegen RKC Waalwijk kan FC Twente winst in de play-offs vergeten en mag het begin juli als schrale troost de Europa League dankzij een ‘fair play’-ticket. Maar eigenlijk mag dit geen verrassing heten. Wie Twente actief volgt, wist dat deze ramp eraan zat te komen.
Eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik de wedstrijd van vandaag niet gezien heb. Hoewel ik de ploeg van Munsterman en McClaren in voor- en tegenspoed steun, had je dit van ver kunnen zien aankomen. Het was al weken pet. Doordat FC Twente het afgelopen jaar een aantal faliekante missers begaan heeft, is de schandalige vertoning in de play-offs niet meer dan een logisch gevolg.
Het begon eind vorig jaar met het niet doorgaan met trainer Michel Preud’homme, die ondanks een knappe tweede plek, bekerwist en het behalen van de Johan Cruijff Schaal naar Saoedi-Arabië trok om daar een lucratief contract te tekenen bij Al Shabab. Voor hem misschien een begrijpelijke keuze, maar Twente zag de Waal ook liever vertrekken dan blijven. Hij paste niet bij de club vanwege zijn opmerkelijke uitspattingen langs de zijlijn en ook qua visie paste hij niet binnen de clubcultuur. Ome Joop (Munsterman) zou een veel betere optie presenteren: een trainer met een voor de Nederlandse competitie aansprekende naam en een visie die dichter zou aansluiten op hetgeen Twente beoogde: binnen nu en vijf jaar een Europese (sub)topper worden.
Met Co Adriaanse werd die grote naam binnengehaald. Co was na Fred Rutten, Steve McClaren en Michel Preud’homme opnieuw een trainer met enige statuur en eentje met een duidelijke visie. Alleen had men niet bedacht dat niet alleen de trainer bij Twente moet passen, maar Twente ook bij de trainer. Dat laatste was niet het geval. Co ging in Enschede ‘zijn eigen ding doen’, hetgeen hem op interne kritiek kwam te staan en leidde tot zijn uiteindelijke ondergang, ondanks verdienstelijke prestaties in de competitie en behoorlijk goed voetbal. Voorbeeldje: Leroy Fer moest en zou volgens de leiding van FC Twente naar Enschede komen. Miljoenen werden naar Rotterdam overgemaakt, maar Co stelde de middenvelder vervolgens niet op omdat hij al over een aantal andere goede spelers voor die positie beschikte. Gevolg: met Fer werd geschoven, werd een aantal keer niet op zijn eigen positie gepositioneerd en moest het vaak doen met louter invalbeurten. Dat zette kwaad bloed bij Musterman.
Ome Joop gaf bij het ontslag toe een inschattingsfout te hebben gemaakt. Het is tekenend voor de man die zoveel goeds bij Twente bracht dat hij eindelijk ook zelf een keer moest toegeven fout gehandeld te hebben. Deed hij dat maar vaker. Bijvoorbeeld voor de onzinnige verkoop van de altijd trefzekere Marc Janko, die niet goed genoeg kon ‘meevoetballen’, maar wel steeds meer op stoom kwam. Hij zou ook kunnen toegeven dat Wesley Verhoek een inschattingsfout is geweest. Waarom tussentijds een transfer van een speler die slechts één seizoen in zijn carrière top is geweest en voor zijn positie al talloze concurrenten heeft rondlopen? Waarom is de duidelijk al maanden gefrustreerde Douglas niet veel eerder verkocht? Waarom moest Jan van Halst ?opstappen en nog altijd zijn mond over die kwestie houden? Waarom worden keer op keer middelmatige buitenlanders aan de selectie toegevoegd terwijl voormalige helden Wisgerhof en Brama week in week uit aantonen het topniveau wat FC Twente nastreeft eigenlijk niet aan te kunnen?
De harde constatering van dit moment is dat FC Twente geen topclub is. Dat had het wel kunnen zijn wanneer het vorig jaar meer moeite had gedaan Preud’homme binnen boord te houden, Douglas voor veel geld had verkocht, Wisgerhof en Brama aan clubs als NAC of Roda JC had gedoneerd en als men Guidetti, die later voor Feyenoord de sterren van de hemel speelde, aan zijn contract had gehouden. Daarnaast had een investering in een back, een centrale verdediger en een goede controlerende middenvelder beter geweest dan de aankopen van Plet, Verhoek, Joshua John en derde keeper Daniel Fernandes.
Het meest verstandige wat Joop Munsterman kan doen is, nu zijn goede imago nog redelijk intact is, een stapje terug nemen en zich niet meer te bemoeien met spelers en trainers. Munsterman mag alles regelen, behalve het technisch beleid. Wanneer je McClaren nog een jaar het vertrouwen gunt, moet de bezem door de spelersgroep. Er lopen teveel mindere goden in deze groep waarmee je nooit kampioen zult worden. Voor Cornelisse, Bengtsson, Tiendalli, Buysse, Leugers, Landzaat en Brama zou het over en sluiten moeten zijn, terwijl je jongens als Michailov, Douglas en Chadli met een grote stik eromheen aan een buitenlandse middenmoter of subtopper kunt verkopen. Laat dat in ’s hemelsnaam Joops laatste kunstje worden.
(Deze bijdrage werd eerder geplaatst op Soccerdepartment.nl)
